ECLI:NL:CRVB:2014:91
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- E.C.R. Schut
- M.F. Wagner
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet-wonen op opgegeven adres
Appellant ontving vanaf augustus 2006 bijstand als alleenstaande. Naar aanleiding van een melding dat appellant vaak met een vrouw werd gezien, startte de sociale recherche een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Dit onderzoek bestond uit waarnemingen, merktekens op deuren, een huisbezoek en het opvragen van energie- en waterverbruik.
Op grond van deze bevindingen trok het college van burgemeester en wethouders van Hulst bij besluit van juni 2010 de bijstand met ingang van februari 2010 in, omdat appellant feitelijk niet meer woonde op het opgegeven adres. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk woonde op het adres, maar de Raad concludeerde dat uit het verhoor en de overige onderzoeksbevindingen blijkt dat appellant voornamelijk in Antwerpen verbleef bij zijn vriendin en slechts sporadisch in de gemeente Hulst was. De verklaring van appellant was consistent en begrijpelijk, en werd ondersteund door observaties zoals het niet openen van deuren en het niet aanbieden van afvalcontainers.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet-wonen op het opgegeven adres wordt bevestigd.