ECLI:NL:CRVB:2014:87
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- E.C.R. Schut
- M.F. Wagner
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WWIK-uitkering wegens ontbreken beroepsmatigheid kunstenaar
Appellant, werkzaam als acteur, danser en zanger, ontving vanaf maart 2010 een WWIK-uitkering. De Stichting Cultuur & Ondernemen gaf in februari 2011 een negatief advies over zijn beroepsmatigheid in de periode maart 2010 tot februari 2011, vanwege een gebrek aan optredens en voorbereiding van nieuwe producties.
Het college beëindigde daarop de uitkering per 30 april 2011, wat door de rechtbank werd bevestigd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel als kunstenaar werkzaam was, onder meer door een gemengde beroepspraktijk en investeringen in cursussen, en dat hem onterecht ontheffing van de progressie-eis werd onthouden.
De Raad oordeelde dat het advies van de Stichting zorgvuldig en consistent was en dat appellant geen tegenbewijs leverde. Zijn werkzaamheden bij een themapark werden als organisatorisch en beperkt beoordeeld. Omdat appellant aan de progressie-eis voldeed, was ontheffing niet aan de orde. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de WWIK-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WWIK-uitkering wordt bevestigd omdat appellant niet langer als beroepsmatig kunstenaar wordt aangemerkt.