ECLI:NL:CRVB:2014:840
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Weigering WUBO-uitkering wegens ontbreken blijvende invaliditeit door oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1938 in Nederlands-Indië, vroeg om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenning van een WUBO-uitkering wegens internering tijdens de Bersiap-periode. Verweerder erkende het oorlogsgeweld maar wees de uitkering af omdat geen sprake was van blijvende invaliditeit door dit oorlogsgeweld.
Medische adviezen van twee geneeskundig adviseurs stelden vast dat de psychische en lichamelijke klachten van appellante niet aan het oorlogsgeweld konden worden toegeschreven, maar aan andere oorzaken. De Raad vond het bestreden besluit deugdelijk voorbereid en gemotiveerd en zag geen reden om het standpunt van verweerder te betwijfelen.
Hoewel appellante's tweelingzus wel een uitkering kreeg, benadrukte de Raad dat de beoordeling individueel moet plaatsvinden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WUBO-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van blijvende invaliditeit door oorlogsgeweld.