ECLI:NL:CRVB:2014:825

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 maart 2014
Publicatiedatum
12 maart 2014
Zaaknummer
11-4990 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21a BeroepswetArt. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep door UWV en veroordeling in proceskosten

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Namens betrokkene werd een verweerschrift ingediend. Vervolgens trok het UWV het hoger beroep in. Betrokkene verzocht daarop de Raad om het UWV te veroordelen in de proceskosten die betrokkene redelijkerwijs had moeten maken.

De Raad stelde vast dat het hoger beroep door het bestuursorgaan was ingetrokken en dat het verzoek tot proceskostenvergoeding terecht was ingediend. Op grond van artikel 21a van de Beroepswet en artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van € 730,50.

De Raad wees het verzoek van betrokkene af om ook de proceskosten van de procedure in beroep toe te wijzen, omdat deze reeds door de rechtbank aan het UWV waren opgelegd en betrokkene geen hoger beroep had ingesteld tegen die uitspraak.

De uitspraak werd gedaan door B.M. van Dun, in aanwezigheid van griffier K.R. van Renswoude, op 12 maart 2014.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 730,50 aan proceskosten aan betrokkene na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Datum uitspraak: 12 maart 2014
11/4990 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 21a van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2011, 09/2052 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Namens betrokkene heeft mr. A.M. Hilhorst, advocaat, een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad gereageerd op een brief van appellant.
Bij brief van 14 januari 2014 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.
Bij brief van 20 januari 2014 heeft mr. A.M. Hilhorst namens betrokkene aan de Raad verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten.
Appellant heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 21a, eerste lid, eerste volzin, van de Beroepswet bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan worden veroordeeld in de proceskosten.
De Raad stelt vast dat appellant het hoger beroep heeft ingetrokken en dat namens betrokkene een verzoek om veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene is gedaan.
De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 730,50 in hoger beroep.
De door betrokkene gevraagde proceskosten voor de procedure in beroep kunnen niet worden toegewezen. De rechtbank heeft appellant in de aangevallen uitspraak veroordeeld in de proceskosten in beroep en betrokkene heeft zelf geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. De door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling valt daarom buiten de grenzen van het geding in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 730,50.
Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2014.
(getekend) B.M. van Dun
(getekend) K.R. van Renswoude
IvR