ECLI:NL:CRVB:2014:666
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en onduidelijkheid financiële situatie
Appellanten ontvingen bijstand sinds 2 april 2011 en werden onderzocht vanwege hun uitkeringssituatie. Tijdens het onderzoek bleek dat zij een bankrekening niet hadden opgegeven en onvoldoende informatie verstrekten over hun werkzaamheden als zelfstandig ondernemer en financiële transacties. Het college schortte de bijstand op, weigerde een voorbereidingsperiode voor zelfstandigen en trok de bijstand uiteindelijk in wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarna zij hoger beroep instelden. Appellanten erkenden de schending van de inlichtingenverplichting, maar stelden dat het recht op bijstand toch vastgesteld kon worden omdat zij nauwelijks inkomsten hadden. De Raad oordeelde echter dat het aangeleverde bewijs onvoldoende was om het recht op bijstand vast te stellen, mede doordat onduidelijk bleef hoe appellant als ondernemer werkte en welke kosten en inkomsten er waren.
De Raad concludeerde dat het college terecht de bijstand had ingetrokken en dat de weigering van de voorbereidingsperiode op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (BBZ) standhoudt. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstand van appellanten wordt ingetrokken wegens schending van de inlichtingenverplichting en onvoldoende inzicht in hun financiële situatie.