Uitspraak
22 mei 2012, 12/49 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
10 juli 2012. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het dagloon en de duur van de WW-uitkering.
Centrale Raad van Beroep
Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van het dagloon en de duur van zijn WW-uitkering vastgesteld door het UWV. Na bezwaar stelde het UWV het dagloon bij, maar handhaafde de uitkeringsduur op zestien maanden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat onvoldoende bewijs werd geleverd dat appellant in de jaren 1998 tot en met 2005 in elk jaar ten minste 52 dagen had gewerkt.
In hoger beroep beperkte appellant zich tot de uitkeringsduur en kreeg de gelegenheid om aanvullende gegevens over zijn dienstverbanden te overleggen. Ondanks deze mogelijkheid leverde appellant geen extra bewijs aan. Het UWV bevestigde dat de gegevens in Suwinet correct waren en vond geen aanvullende informatie in andere systemen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet voldeed aan de bewijslast om loonontvangst over ten minste 52 dagen per jaar aan te tonen. Daarom mocht het UWV uitgaan van de Suwinet-gegevens. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De uitkeringsduur van zestien maanden wordt bevestigd omdat appellant onvoldoende bewijs leverde van minimaal 52 gewerkte dagen per jaar in de periode 1998-2005.