ECLI:NL:CRVB:2014:4337
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij vaststelling arbeidsongeschiktheid WIA-uitkering
Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV waarin zijn mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 67%, met een periode van volledige arbeidsongeschiktheid van 6 juni tot 31 augustus 2012. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Appellant stelde dat hij recht had op een hogere mate van arbeidsongeschiktheid (80-100%) en daarmee op een hogere loongerelateerde WGA-uitkering. Hij voerde aan dat het belang van zijn beroep ook lag in het mogelijke uitstralingseffect van een volledige arbeidsongeschiktheid op toekomstige beoordelingen door het UWV.
De Raad oordeelde dat het procesbelang ontbrak omdat de inkomenseis voor appellant niet meer gold, gezien zijn langdurige volledige arbeidsongeschiktheid. Bovendien had appellant geen aanspraak gemaakt op een IVA-uitkering. Het vermeende uitstralingseffect was onvoldoende geconcretiseerd en gaf geen feitelijke betekenis aan het resultaat dat appellant nastreefde.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en ook geen wettelijke rente toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een concreet procesbelang.