ECLI:NL:CRVB:2014:4246
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- E.C.R. Schut
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellant en appellante ontvingen bijstand, waarbij appellant stond ingeschreven op een adres en appellante op een ander. Na een anonieme melding startte de gemeente een onderzoek naar hun woonsituatie. Uit dossieronderzoek, observaties, verklaringen van appellanten en getuigen bleek dat zij feitelijk samenwoonden en hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.
De rechtbank vernietigde het besluit tot intrekking van de bijstand wegens procedurele fouten, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en oordeelt dat het college terecht aannam dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, waardoor appellant geen recht had op bijstand als alleenstaande.
Appellanten konden niet aantonen dat zij recht hadden op bijstand vanwege onvoldoende bewijs over hun vermogen en inkomsten. De Raad wijst erop dat subjectieve gevoelens en motieven voor samenwonen niet relevant zijn bij de beoordeling van een gezamenlijke huishouding.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en dat de intrekking en terugvordering van bijstand terecht is.