ECLI:NL:CRVB:2014:4230

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 december 2014
Publicatiedatum
15 december 2014
Zaaknummer
10-784 WIA-S
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling Staat en UWV tot schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen het UWV en de Staat vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in een WIA-procedure. De procedure heeft in totaal elf jaar en bijna drie maanden geduurd, waarbij de rechterlijke fase in twee delen werd behandeld: de eerste fase duurde minder dan drieënhalf jaar, de tweede fase meer dan drieënhalf jaar.

Het UWV erkende een overschrijding van ruim vijf jaar, terwijl de resterende periode voor rekening van de Staat moest komen. De Raad bepaalde dat verzoeker recht heeft op een schadevergoeding van €7.500,-, waarbij €2.250,- voor rekening van de Staat komt en €5.250,- voor het UWV.

De Raad wees het verzoek om proceskostenvergoeding af en sloot het onderzoek zonder zitting. De uitspraak werd gedaan door M.M. van der Kade op 12 december 2014.

Uitkomst: De Staat en het UWV worden veroordeeld tot betaling van in totaal €7.500 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

10/784 WIA-S
Datum uitspraak: 12 december 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden, de minister van Veiligheid en Justitie (Staat)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van
29 december 2009, 08/751, in het geding tussen verzoeker en het Uwv.
Bij uitspraak van 11 april 2014 heeft de Raad het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoeker om schadevergoeding voor de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en heeft de Raad naast het Uwv de Staat aangemerkt als partij in die procedure.
Het Uwv heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. Verzoeker en de Staat hebben afgezien van het geven van een schriftelijke uiteenzetting en zich gerefereerd aan het oordeel van de Raad.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. In zijn uitspraak van 11 april 2014 heeft de Raad vastgesteld dat de procedure elf jaar en bijna drie maanden heeft geduurd en dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden. De eerste behandeling in de rechterlijke fase is aangevangen met de ontvangst van het eerste beroepschrift door de rechtbank op 15 december 2003 en is geëindigd met de uitspraak van de Raad van 20 juli 2007. Deze behandeling door de rechtbank en de Raad tezamen heeft minder dan drie en een half jaar geduurd. De hernieuwde behandeling in de rechterlijke fase is aangevangen met de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 4 september 2008 en is geëindigd met de uitspraak van de Raad van 11 april 2014. Deze fase heeft daarom meer dan drie en een half jaar geduurd.
2.1.
Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en dat een periode van ruim vijf jaar voor rekening van het Uwv dient te komen. De resterende periode dient voor rekening van de Staat te komen.
2.2.
De Staat en verzoeker hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de Raad.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Uitgaande van een overschrijding van de redelijke termijn met zeven jaar en bijna drie maanden en een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, heeft verzoeker recht op in totaal € 7.500,- schadevergoeding. De overschrijding van de redelijke termijn door de Staat bedraagt twee jaar en ruim één maand. De overschrijding van de redelijke termijn door het Uwv bedraagt vijf jaar en bijna twee maanden. In dit geval wordt de hoogte van het door de Staat te vergoeden bedrag vastgesteld op € 2.250,- en is het Uwv aan verzoeker een schadevergoeding van € 5.250,- verschuldigd.
3.2.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt de Staat tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.250,-;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 5.250,-.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2014.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) P. Boer

RB