Uitspraak
mr. A. van der Weerd en mr. drs. A. Slovacek.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds december 2009 een AOW-pensioen met partnertoeslag. In oktober 2010 ontving zijn partner een afkoopsom van een ouderdomspensioen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag daarop de toeslag en vorderde te veel betaalde bedragen terug, met een waarschuwing voor een boete wegens niet tijdig voldoen aan de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Raad overweegt dat de afkoopsom als inkomen in verband met arbeid moet worden gezien en in beginsel verrekend dient te worden met de partnertoeslag. Echter, de Raad stelt dat deze afkoopsom geacht moet worden bestemd te zijn voor de periode ná het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Toerekening van de afkoopsom aan een maand vóór deze leeftijd leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat volgens artikel 10 van Pro het Inkomensbesluit AOW 1996.
De Raad wijst op recente parlementaire stukken waaruit blijkt dat het kabinet en parlement deze verrekening onwenselijk vinden en voornemens zijn de uitkering van de afkoopsom uit te stellen tot na de pensioengerechtigde leeftijd. De Raad draagt de Svb op binnen zes weken het besluit op bezwaar te herzien met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep draagt de Sociale Verzekeringsbank op het besluit op bezwaar te herzien wegens kennelijk onredelijk resultaat van de afkoopsomtoerekening.