Uitspraak
.Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H. Verweij en mr. K. Siemeling.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was het niet eens met de vaststelling van een bestuurlijke premie van €148,95 per maand vanwege een betalingsachterstand bij zijn zorgverzekeraar. Hij stelde dat de betalingsachterstand buiten zijn schuld was ontstaan en dat de zorgverzekeraar niet aan haar verplichtingen had voldaan, waardoor zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard.
De rechtbank had het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:5, eerste lid, onderdeel H, onder 4 van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht, de zogenaamde negatieve lijst, die bezwaar en beroep tegen besluiten over de verschuldigdheid of hoogte van de bestuurlijke premie uitsluit. Appellant stelde beroep in tegen deze beslissing.
De Centrale Raad van Beroep heeft in hoger beroep de gronden van appellant herhaaldelijk besproken en gemotiveerd afgewezen. De Raad bevestigde dat de negatieve lijst van toepassing is en dat de burgerlijke rechter als restrechter bevoegd is voor geschillen over de bestuursrechtelijke premie. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door J. Brand namens de Centrale Raad van Beroep op 10 december 2014.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de vaststelling van de bestuurlijke premie is niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep is ongegrond verklaard.