ECLI:NL:CRVB:2014:4095
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WWIK-uitkering 2011 ondanks zorg voor minderjarige dochter
Appellant ontving in 2011 een voorlopige WWIK-uitkering als alleenstaande. Na de komst van zijn gehandicapte dochter uit Kenia in 2012 werd de uitkering omgezet naar de norm voor alleenstaande ouder. Het college stelde de uitkering over 2011 definitief vast en vorderde een bedrag van €5.515,44 terug.
De rechtbank vernietigde het besluit tot terugvordering wegens het ontbreken van beoordeling van dringende redenen, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Appellant stelde in hoger beroep dat hij vanwege de zorg en financiële ondersteuning van zijn dochter in 2011 als alleenstaande ouder of co-ouder had moeten worden aangemerkt, wat tot een lagere terugvordering zou leiden.
De Raad oordeelt dat het normbesluit onherroepelijk is en dat de door appellant aangevoerde omstandigheden geen dringende redenen vormen om van terugvordering af te zien. Er is geen voldoende onderbouwing van onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de WWIK-uitkering over 2011 zonder matiging.