ECLI:NL:CRVB:2014:4059
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als productiemedewerker, bleef na een uitkeringsperiode wegens lichamelijke en psychische klachten ziek. Het UWV stelde bij besluit vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd in bezwaar en in eerste aanleg door de rechtbank ’s-Hertogenbosch bevestigd.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stelling dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen werden onderschat. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en het UWV. De verzekeringsartsen hadden appellante gezien, relevante medische informatie meegewogen en geen aanleiding gevonden het standpunt te wijzigen, ook niet op basis van latere psychiaterverklaringen.
De Raad concludeerde dat er geen aanwijzingen waren voor onzorgvuldigheid of onderschatting van de beperkingen. Ook het arbeidskundig rapport, dat stelde dat appellante werkzaamheden kon verrichten die bij haar functies pasten, werd onderschreven. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.