ECLI:NL:CRVB:2014:4038
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig machinaal houtbewerker en reservechauffeur, werd op 8 januari 2010 werkloos en viel op 14 september 2010 uit vanwege diverse gezondheidsklachten. Het UWV weigerde per 11 september 2012 een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd en dat de arbeidsdeskundige voldoende had toegelicht dat de belastbaarheid van appellant niet werd overschreden door de geduide functies.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat zijn beperkingen, met name op energetisch en psychisch gebied, onvoldoende waren erkend. Hij overhandigde aanvullend medisch bewijs, waaronder een rapport van een cardioloog en een brief van zijn huisarts, en verzocht om nader onderzoek door een onafhankelijke deskundige.
De Raad concludeerde echter dat er geen aanwijzingen waren dat de beperkingen waren onderschat. De verzekeringsarts had de beperkingen adequaat gemotiveerd en de aanvullende medische stukken boden geen nieuwe inzichten die tot een ander oordeel leidden. Ook de toepassing van de Standaard Verminderde Arbeidsduur was volgens de Raad correct beoordeeld. Het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke psycholoog werd afgewezen.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.