ECLI:NL:CRVB:2014:3881
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende duidelijkheid woon- en verblijfplaats
Appellant diende op 4 juli 2012 een aanvraag om bijstand in en verklaarde tijdens een intake dat hij enige tijd geen vaste woon- of verblijfplaats had. Hij stond ingeschreven bij een vriend op een opgegeven adres en gaf aan veel bij zijn vriendin te zijn, met wie hij samenwoonde en een kind had. Het college startte een onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie, waarbij appellant werd gehoord en een onaangekondigd huisbezoek plaatsvond.
Het college wees de aanvraag af omdat appellant onjuiste informatie had verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats, waardoor het recht op bijstand niet vastgesteld kon worden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had, onder meer door aanwezigheid van persoonlijke spullen en dekbed tijdens het huisbezoek.
De Raad oordeelde dat deze feiten onvoldoende waren om het hoofdverblijf aan te tonen, mede omdat appellant verklaarde veel bij familie en vriendin te verblijven, zijn administratie daar lag en hij pas eind oktober 2012 de sleutel van de woning verkreeg. Ook kon hij in augustus 2012 niet op het adres verblijven omdat de hoofdbewoner in het buitenland was. Hierdoor was onvoldoende duidelijkheid over zijn woon- en verblijfplaats en was het recht op bijstand niet vast te stellen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd wegens onvoldoende duidelijkheid over woon- en verblijfplaats.