Uitspraak
mr. A. Dinç.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg op 18 maart 2011 een bruikleenauto aan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees dit af omdat appellant individueel taxivervoer kon gebruiken. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende onderzoek, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat uit nader onderzoek bleek dat taxivervoer volstaat.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn angstklachten, waaronder wantrouwen jegens taxichauffeurs, het gebruik van individueel taxivervoer onmogelijk maken. De medisch adviseur van het college stelde echter vast dat appellant ondanks ernstige psychiatrische problematiek voldoende zelfstandig is en niet zodanig angstig is dat een eigen auto noodzakelijk is. De behandelend psychiater bevestigde dat er geen sprake is van paniekstoornis of ernstige angstaanvallen die taxivervoer onmogelijk maken.
De Raad concludeert dat het college zorgvuldig heeft gehandeld en dat het individuele taxivervoer een adequate voorziening is. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de bruikleenauto en handhaaft het individuele taxivervoer als adequate voorziening.