ECLI:NL:CRVB:2014:3749
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geschiktheid eigen werk als administrateur
Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem geen WIA-uitkering toe te kennen vanaf 1 januari 2010, omdat hij vanaf 1 maart 2009 weer geschikt zou zijn voor zijn eigen werk als administrateur. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd hadden dat appellant geschikt was voor zijn werk vanaf die datum en appellant geen medische gegevens had overgelegd die dit tegenspraken.
Appellant stelde in hoger beroep dat het bezwaar ten onrechte ongegrond was verklaard en dat het UWV een nieuw primair besluit had genomen zonder mogelijkheid tot bezwaar. Ook voerde hij aan dat hij vanaf 1 maart 2009 arbeidsongeschikt bleef vanwege psychische en lichamelijke klachten en verzocht om benoeming van een deskundige.
De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de rapporten van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige voldoende waren en dat appellant zijn stellingen onvoldoende had onderbouwd met medische gegevens. De Raad wees ook het argument af dat sprake was van een nieuw primair besluit, omdat de beslissing op bezwaar een heroverweging van het oorspronkelijke besluit betrof op basis van hetzelfde feitencomplex.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant vanaf 1 maart 2009 geschikt was voor zijn eigen werk.