ECLI:NL:CRVB:2014:3712
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging individuele vervoersvoorziening Vervoer op Maat wegens zelfredzaamheid
Appellante, bekend met interne geneeskundige aandoeningen en fibromyalgie, ontving sinds 2005 een vervoersvoorziening in de vorm van Vervoer op Maat (VOM) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht beëindigde de voorziening per 10 januari 2013 omdat uit onderzoek bleek dat appellante sinds 1 juli 2012 geen gebruik had gemaakt van VOM. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit werd ongegrond verklaard, met het argument dat zij zelf in haar vervoersbehoefte voorziet door gebruik van haar eigen auto en dat VOM niet bedoeld is als vangnet voor een mogelijke toekomstige behoefte.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond, stellende dat het college terecht de voorziening had ingetrokken. Appellante stelde in hoger beroep dat haar klachten kunnen verergeren en dat zij in de toekomst mogelijk permanent aangewezen zal zijn op VOM, maar bracht geen nieuwe feiten of gronden naar voren.
De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en bevestigt dat appellante sinds 10 januari 2013 geen noodzaak meer heeft voor VOM. Er zijn geen medische gegevens die een verslechtering op korte termijn aannemelijk maken. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de vervoersvoorziening Vervoer op Maat wegens het ontbreken van noodzaak.