ECLI:NL:CRVB:2014:3659

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 november 2014
Publicatiedatum
10 november 2014
Zaaknummer
14-5537 WIA-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogenAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening WIA-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. De rechtbank had het beroep van verzoeker ongegrond verklaard en hij ging in hoger beroep.

Het verzoek om voorlopige voorziening strekte ertoe dat het UWV voorschotten zou toekennen op een WIA-uitkering van € 1.500 per maand in afwachting van de definitieve uitspraak. Verzoeker stelde dat hij na het einde van zijn WW-uitkering per 1 december 2014 in financiële problemen zou komen omdat het inkomen van zijn partner onvoldoende is.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende spoedeisend belang had aangetoond. Dit omdat verzoeker en zijn partner samen nog over ongeveer € 12.000 aan spaargeld beschikken en verzoeker al lange tijd wist wanneer zijn WW-uitkering zou eindigen, waardoor hij zich had kunnen voorbereiden. Er was geen reden om aan te nemen dat de hoofdzaak niet afgewacht kon worden.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot toekenning van voorschotten op een WIA-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

14/5537 WIA-VV
Datum uitspraak: 3 november 2014
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. W.H. Benard, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 17 februari 2014, 13/1052 (aangevallen uitspraak) en bij brief van 2 oktober 2014 een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Benard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

OVERWEGINGEN

1.1.
De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2.
Bij besluit van 15 oktober 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor verzoeker met ingang van 1 november 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 3 april 2013 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het besluit van 3 april 2013 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft verzoeker zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe dat het Uwv in afwachting van de definitieve beslissing van de Raad op het door hem ingestelde hoger beroep overgaat tot toekenning van voorschotten op een WIA-uitkering ter grootte van € 1.500,- per maand.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het door hem gestelde spoedeisend belang aangevoerd dat hij in een financiële noodsituatie dreigt te raken. Per 1 december 2014 zal het recht van verzoeker op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) eindigen. De inkomsten van zijn partner zijn onvoldoende om alle lasten van het gezin te kunnen betalen, zodat er vele schulden zullen gaan ontstaan.
4.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker er niet in geslaagd is aannemelijk te maken dat sprake is van een (financieel) spoedeisend belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter acht het van belang dat verzoeker desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat hij nog zo’n € 6.000,- aan spaargeld heeft en dat ook zijn partner over eenzelfde bedrag beschikt. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter, anders dan door verzoeker is betoogd, onvoldoende grond aanwezig om te oordelen dat verzoeker na 1 december 2014 in een situatie van financiële nood zal komen te verkeren.
4.4.
Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht. Daarbij wist verzoeker dat en wanneer zijn WW-uitkering zou eindigen, zodat hij zich al lange tijd heeft kunnen voorbereiden op de consequenties van het verval van inkomen. Onder deze omstandigheden is een situatie van voldoende (financiële) spoedeisendheid onvoldoende aangetoond.
4.5.
Uit het vorenstaande volgt dat niet voldaan is aan de in artikel 8:81 van Pro de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2014.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) W. de Braal

QH