ECLI:NL:CRVB:2014:3654
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV van 8 november 2012, waarin werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging met medische en arbeidskundige gronden.
Zij stelde dat haar psychische aandoening en ernstige chronische pijnklachten, waaronder scoliose en fibromyalgie, niet voldoende waren meegewogen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Appellante betoogde dat zij de door het UWV geselecteerde functies niet kon verrichten en overhandigde medische stukken ter onderbouwing.
De Raad overwoog dat de rechtbank terecht had gewezen op het verzekeringsgeneeskundig rapport waarin zowel lichamelijk als psychisch onderzoek had plaatsgevonden. De FML hield rekening met haar beperkingen en stelde dat zij licht werk kon verrichten. De medische stukken van appellante gaven geen aanleiding om aan het oordeel van het UWV te twijfelen. Ook de arbeidsdeskundige rapporten ondersteunden dat de geselecteerde functies passend waren.
De Raad zag geen reden om een medisch deskundige te benoemen en verwierp het hoger beroep. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.