ECLI:NL:CRVB:2014:3577
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB van september 2004 tot juli 2010. Het college stelde op basis van een onderzoek vast dat appellante een tweetal bankrekeningen, een voertuig en inkomsten via stichtingen had verzwegen, waardoor zij haar inlichtingenplicht schond. Het college trok de bijstand over een deel van de periode in en vorderde €42.499,85 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet over de tegoeden op de bankrekening kon beschikken, ondanks haar stelling dat het ging om een Somalisch spaarsysteem, Hagbad.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het college niet heeft onderbouwd dat de bijstand integraal is ingetrokken en dat de motivering van het bestreden besluit onvoldoende is. De Raad bevestigt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet over de tegoeden kon beschikken en vernietigt het besluit wegens strijd met artikel 7:12 Awb Pro. De rechtsgevolgen blijven echter in stand. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van 10 juli 2012 wordt vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen in stand blijven.