Uitspraak
9 april 2013, 12/6379 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt was vanaf 14 december 2009. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat appellant geschikt was voor bepaalde functies, waarop het bezwaar ongegrond werd verklaard.
De rechtbank Gelderland heeft het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard, omdat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen van appellant adequaat waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank vond geen aanwijzingen voor psychische beperkingen rond de datum in geding en zag geen reden een onafhankelijk deskundige in te schakelen.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn lichamelijke en psychische beperkingen zijn onderschat en heeft hij nieuwe medische stukken overgelegd. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat deze stukken geen aanleiding geven om de eerdere medische beoordelingen te herzien. De Raad bevestigt dat de functies waarop de schatting is gebaseerd medisch passend zijn voor appellant.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.