Uitspraak
7 maart 2013, 12/571 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan op grond van de WWB voor inrichtingskosten van haar nieuwe woning, waaronder verf, vloerbedekking, rolgordijnen en een nieuwe inboedel, vanwege een echtscheiding en verhuizing.
Het dagelijks bestuur wees de aanvraag af omdat de verhuizing en de inrichtingskosten niet noodzakelijk zouden zijn, een standpunt dat door de rechtbank werd bevestigd. De rechtbank vond dat appellante de inboedel deels mee had kunnen nemen en dat de kosten niet noodzakelijk waren.
In hoger beroep stelde appellante dat zij de inboedel bewust had achtergelaten om schuldenvrij te zijn en dat de kosten van verf, vloerbedekking en rolgordijnen wel noodzakelijk waren. De Raad oordeelde dat de afwijzing van de inboedelkosten terecht was, maar dat de afwijzing van de kosten voor verf, vloerbedekking en rolgordijnen onterecht was omdat deze niet konden worden meegenomen.
Het dagelijks bestuur had het besluit niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, vooral omdat het niet had gevraagd om specificaties of offertes. De Raad draagt het dagelijks bestuur op binnen zes weken het besluit te herstellen en de aanvraag opnieuw te beoordelen met inachtneming van de noodzakelijkheid van deze kosten.
Uitkomst: Het dagelijks bestuur wordt opgedragen het besluit over bijzondere bijstand voor verf, vloerbedekking en rolgordijnen binnen zes weken te herstellen.