ECLI:NL:CRVB:2014:3358
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.F. Claessens
- M. Hillen
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Verplichting tot regeling boedelbeschrijving en gelde maken erfenis bij bijstandsontvangst
Appellant ontving van 2000 tot 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na het overlijden van zijn vader in januari 2010 aanvaardde appellant de erfenis beneficiair en stelde het college hiervan op de hoogte. Het college legde appellant op grond van artikel 55 WWB Pro de verplichting op om uiterlijk 1 juni 2011 de boedelbeschrijving te regelen en de erfenis te gelde te maken, met het oog op vermindering of beëindiging van de bijstand.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat deze verplichting hem dwong de nalatenschap volledig te accepteren zonder duidelijkheid over de omvang, wat onredelijk was. De Raad oordeelde echter dat het college bevoegd was deze verplichting op te leggen omdat dit strekte tot vermindering van de bijstand. Bovendien hield de verplichting niet in dat appellant de nalatenschap zonder meer moest aanvaarden; hij kon bij vertraging bewijsstukken overleggen voor verlenging van de termijn.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 14 oktober 2014.
Uitkomst: De verplichting tot het regelen van de boedelbeschrijving en het gelde maken van de erfenis binnen de gestelde termijn wordt bevestigd.