ECLI:NL:CRVB:2014:3339

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 oktober 2014
Publicatiedatum
15 oktober 2014
Zaaknummer
13-3186 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbAlgemene Kinderbijslagwet
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens overschrijding termijn kinderbijslag

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) van 15 juni 2011 waarin de toekenning van kinderbijslag werd herzien en beëindigd wegens het ontbreken van woon- of werkadres in Nederland en het bereiken van de leeftijd van 18 jaar van zijn zoon.

De Svb verklaarde het bezwaar aanvankelijk ongegrond, maar trok dit besluit later in en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de wettelijke termijn voor het indienen van het bezwaarschrift. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellant dat hij recht heeft op kinderbijslag voor zijn dochter die jonger is dan 18 jaar en dat hij zich vrijwillig heeft verzekerd voor de volksverzekeringen. De Raad oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat het te laat was ingediend en er geen sprake was van verschoonbaarheid.

De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit tot intrekking van kinderbijslag is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

13/3186 AKW
Datum uitspraak: 10 oktober 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
8 mei 2013, 12/3200 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2014. Voor appellant is verschenen zijn zoon A. el [Y.] met A. el [M.] als tolk. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 15 juni 2011 heeft de Svb de toekenning van kinderbijslag aan appellant herzien. Daarbij is vastgesteld dat appellant met ingang van het derde kwartaal van 2011 geen recht heeft op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), omdat appellant niet in Nederland woont of werkt en zijn [in] 1993 geboren zoon [naam zoon] inmiddels 18 jaar oud is.
1.2. Appellant heeft tegen het besluit van 15 juni 2011 bezwaar gemaakt.
1.3. Bij besluit van 8 mei 2012 (bestreden besluit I) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 juni 2011 ongegrond verklaard.
1.4. Bij besluit van 10 september 2012 (bestreden besluit II) heeft de Svb bestreden besluit I ingetrokken en een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarbij is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 juni 2011 niet-ontvankelijk verklaard wegens een overschrijding van de termijn waarbinnen een bezwaarschrift kan worden ingediend.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van appellant tegen bestreden besluit II is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3.
In hoger beroep heeft appellant in hoofdzaak betoogd dat hij zich vanaf het jaar 2000 vrijwillig heeft verzekerd voor de volksverzekeringen en dat zijn [in] 2002 geboren schoolgaande dochter [naam dochter] nog geen 18 jaar oud is. Appellant wil daarom ten behoeve van haar kinderbijslag.
4.
De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft onderschreven dat het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 juni 2011 niet-ontvankelijk is wegens een overschrijding van de termijn waarbinnen een bezwaarschrift kan worden ingediend.
4.2.
Op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van
artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt die termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.3.
Appellant betwist niet dat het besluit van 15 juni 2011 op die datum op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt en dat hij pas op of na 14 september 2011 een tegen dat besluit gericht bezwaarschrift naar de Svb heeft verzonden. Hieruit volgt dat appellant zijn bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn bij de Svb heeft ingediend.
4.4.
Verder is niet gebleken dat niet-ontvankelijkverklaring wegens een overschrijding van de bezwaartermijn achterwege moet blijven omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. In wat appellant heeft aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van verschoonbaarheid in de zin van artikel 6:11 van Pro de Awb. In dit verband wordt overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat appellant gedurende de gehele bezwaartermijn niet in staat is geweest om een (pro forma) bezwaarschrift in te (laten) dienen.
4.5.
Door appellant betaalde premies voor de vrijwillige verzekering voor de volksverzekeringen kunnen geen betrekking hebben op een verzekering voor de AKW.
4.6.
Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit II terecht ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.
5.Voor een proceskostenveroordeling is geen grond.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2014.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) M. Crum

HD