ECLI:NL:CRVB:2014:3315

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 september 2014
Publicatiedatum
13 oktober 2014
Zaaknummer
14-4836 AW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 12.12b NRGA
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging ontslag wegens incompatibiliteit en herstel klantmanagerfunctie

Appellant was klantmanager bij de Dienst Werk en Inkomen en werd ontslagen wegens incompatibiliteit, gebaseerd op een schriftelijke berisping wegens plichtsverzuim en mediationresultaten. De Raad had eerder het strafontslag wegens plichtsverzuim vernietigd, waardoor appellant geacht wordt in dienst te zijn gebleven tijdens mediation.

Het college wilde niet dat appellant terugkeerde in een functie met klantcontacten en zag geen herplaatsingsmogelijkheden. Appellant stelde dat zijn ziekte het gevolg was van de spanningen rondom het ontslag en dat hij graag terug wilde keren in zijn functie of een vergelijkbare functie.

De Raad oordeelde dat het ontslag wegens incompatibiliteit niet gerechtvaardigd was, mede omdat de berisping geen belemmering vormt voor het voortzetten van de functie. Daarom werd het ontslagbesluit en het daarop gebaseerde uitkeringsbesluit vernietigd.

Het college is verplicht appellant na herstelmelding zijn werkzaamheden als klantmanager te laten hervatten en wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het ontslag wegens incompatibiliteit wordt vernietigd en appellant kan zijn werkzaamheden als klantmanager hervatten.

Uitspraak

14/4836 AW-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het beroep tegen het ontslagbesluit van
22 januari 2014 en het besluit van 19 maart 2014
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 18 september 2014
Zitting hebben: K.J. Kraan, J.N.A. Bootsma, C.H. Bangma
Griffier: T.A. Meijering
Ter zitting zijn verschenen: Appellant, bijgestaan door mr. I.L. Gerrits en
mr. A.A. Boes-Kouwenoord en drs. M. Rous, vertegenwoordigers van het college.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 januari 2014, voor zover het betreft het ontslag en vernietigt het
besluit van 19 maart 2014;
- bepaalt dat het college appellant, na een gehele of gedeeltelijke hersteldmelding, in staat
stelt om zijn werkzaamheden als klantmanager te hervatten;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 986,60.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
In zijn uitspraak van 24 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2529) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2011, 11/4078, strekkende tot vernietiging van het strafontslag wegens plichtsverzuim, in stand gelaten. Het college heeft bij besluit van
22 januari 2014 aan appellant alsnog een schriftelijke berisping opgelegd. In zijn uitspraak van 24 juli 2014 heeft de Raad het beroep van appellant tegen deze berisping ongegrond verklaard. Bij hetzelfde besluit van 22 januari 2014 heeft het college aan appellant ontslag verleend wegens incompatibiliteit, gebaseerd op artikel 12.12b van de Nieuwe Rechtspositieregeling van de gemeente Amsterdam (NRGA). Ter uitvoering van dit ontslag is aan appellant bij besluit van 19 maart 2014 een uitkering toegekend. De Raad heeft te kennen gegeven dat hij het besluit van 22 januari 2014, voor zover betrekking hebbend op het ontslag, en het besluit van 19 maart 2014 op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bij zijn beoordeling zal betrekken en daarover separaat uitspraak zal doen. Partijen hebben vervolgens hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Namens het college is ter zitting bij de Raad een nadere mondelinge toelichting gegeven op het ontslag wegens incompatibiliteit. Daarbij is allereerst gewezen op het plichtsverzuim, waarvoor de berisping is gegeven. Voorts op de mediation en de herplaatsingsinspanningen die hebben plaatsgevonden en die door de opstelling van appellant niet tot een oplossing hebben geleid. Appellant wenst terug te keren in zijn functie van klantmanager. Het college wil niet dat appellant terugkeert in een functie met klantcontacten en ziet geen mogelijkheden meer om hem binnen de gemeente te plaatsen.
Appellant heeft naar voren gebracht dat hij ziek is geworden door de spanningen van het ontslag. Zijn opstelling tijdens de mediation was ingegeven door de wens om terug te keren in zijn functie als klantmanager, dan wel in een andere functie met klantcontacten. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de pogingen om hem te herplaatsen sterk zijn beperkt door de wens van het college om hem niet opnieuw contacten te laten onderhouden met klanten.
Uit de vernietiging van het strafontslag volgt dat appellant tijdens de mediation geacht moet worden in dienst te zijn gebleven als klantmanager bij de Dienst Werk en Inkomen. Met deze vernietiging is appellant in het gelijk gesteld; reeds daarom kan hem niet worden tegengeworpen dat hij wenste terug te keren in deze functie. Dat de schriftelijke berisping wegens plichtsverzuim in stand is gelaten, doet hier niet aan af, aangezien een dergelijke straf meebrengt dat de betrokkene in zijn functie werkzaam kan blijven. De Raad ziet dan ook geen grond voor een ontslag wegens incompatibiliteit.
Dit betekent dat het beroep slaagt en het besluit van 22 januari 2014, voor zover dat ziet op het ontslag, en het besluit van 19 maart 2014 dienen te worden vernietigd. Dit betekent dat het college appellant, na een gehele of gedeeltelijke hersteldmelding, in staat dient te stellen zijn werkzaamheden als klantmanager te hervatten.
Aanleiding bestaat het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 974,- aan kosten voor verleende rechtsbijstand en
€ 12,60 aan reiskosten.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) T.A. Meijering (getekend) K.J. Kraan
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep

HD