ECLI:NL:CRVB:2014:3314
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende duidelijkheid over feitelijke woonsituatie
Verzoeker diende op 5 maart 2014 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, waarbij hij verklaarde inwonend te zijn bij zijn broer op een bepaald adres. Het college voerde een onderzoek uit, inclusief gesprekken en een huisbezoek, waaruit bleek dat de feitelijke situatie niet overeenkwam met de opgegeven gegevens. Zo werd in de kamer van verzoeker geen bed aangetroffen maar een matras tegen de muur, en ontbrak de genoemde fitnessapparatuur.
Het college wees de aanvraag af omdat verzoeker niet aannemelijk had gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonde en daarmee de op hem rustende inlichtingenplicht volgens artikel 17 WWB Pro had geschonden. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond. Verzoeker stelde hoger beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat nader onderzoek niet zou bijdragen aan de beoordeling en deed daarom onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker onvoldoende bewijs leverde van zijn woonplaats en dat het onderzoek van het college zorgvuldig was uitgevoerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en het verzoek om voorlopige voorziening geweigerd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen vanwege onvoldoende aannemelijkheid van de feitelijke woonsituatie van verzoeker.