ECLI:NL:CRVB:2014:3282
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht meer op ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant was sinds 1 februari 2001 werkzaam als (hulp)machinebankwerker en viel in 2004 uit door klachten als gevolg van een auto-ongeval. Na een wachttijd eindigend op 24 april 2006 werd vastgesteld dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en hij werkte daarna weer fulltime. In 2011 meldde appellant zich ziek met klachten aan het rechteroog, hoofdpijn, duizeligheid en oorsuizen. Het UWV besloot op 24 november 2011 dat hij geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij geschikt werd geacht voor zijn arbeid.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard na een nieuw medisch onderzoek. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen het besluit eveneens ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren dat appellant op de ingangsdatum van het besluit niet kon werken.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn geestelijke gezondheid en taalbarrière hem belemmerden in de procedure en dat er medische beperkingen waren voor werk met veel lawaai, wat niet was meegenomen. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de klachten die appellant aanvoerde niet leidden tot een andere conclusie en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst uit 2006 niet ter discussie stond.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.