ECLI:NL:CRVB:2014:3280
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 8 augustus 2011 waarin werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. Het bezwaar werd bij besluit van 19 maart 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank Utrecht heeft dit besluit bevestigd, waarbij zij oordeelde dat het medische oordeel zorgvuldig en juist was, mede gelet op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen bij zitten en buigen, waardoor de geduide functies niet geschikt zouden zijn. Zij bracht nieuwe medische brieven in van orthopedisch chirurgen over rug- en knieklachten. De Raad heeft deze gronden en nieuwe informatie beoordeeld en geoordeeld dat deze geen aanleiding geven het eerdere standpunt te wijzigen, omdat de informatie niet relevant is voor de in geschil zijnde datum of al bekend was.
De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat de gekozen functies medisch passend zijn. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.