ECLI:NL:CRVB:2014:3204
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor parttime werk ondanks klachten
Appellante was werkzaam als verzorgingshulp/huishoudelijk medewerkster voor 15 uur per week toen zij uitviel wegens rugklachten en een Ziektewet-uitkering ontving. Het UWV beëindigde haar uitkering per 9 mei 2012 na medisch onderzoek door verzekeringsartsen die haar geschikt achtten voor haar werk ondanks haar klachten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat voldoende gegevens aanwezig waren om haar belastbaarheid te beoordelen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het eigen werk rugbelastend was en dat onvoldoende rekening was gehouden met de belasting door een arbeidsdeskundige.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen over voldoende informatie beschikten, waaronder een uitgebreide vragenlijst over de werkbelasting. De medische onderzoeken waren zorgvuldig en hielden rekening met zowel rug- als psychische klachten. De bezwaarverzekeringsarts betrok alle medische informatie bij zijn heroverweging en motiveerde waarom appellante geschikt werd geacht haar parttime werk te hervatten.
De Raad vond onvoldoende aanknopingspunten om het oordeel van de artsen en de rechtbank te verwerpen. De klachten leidden niet tot relevante arbeidsbeperkingen. Het UWV handelde op goede gronden door de uitkering te beëindigen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 9 mei 2012 wordt bevestigd.