ECLI:NL:CRVB:2014:3122
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens termijnoverschrijding afgewezen
Appellant heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarbij zijn hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening van het hogerberoepschrift. De termijn voor het indienen van het hogerberoepschrift is volgens artikel 6:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) strikt en werd met één dag overschreden.
Appellant betoogde dat de termijn van zes weken niet strikt als zes keer zeven dagen moet worden opgevat, maar als een meetwaarde die onder bepaalde omstandigheden kan variëren. Dit standpunt werd door de Raad verworpen, omdat de wetgever duidelijk heeft bedoeld dat 'zes' staat voor exact zes weken (zes komma nul) zonder ruimte voor afwijking.
Verder stelde appellant dat het wettelijke stelsel in strijd zou zijn met Europese richtlijnen en het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro. De Raad oordeelde dat deze betogen niet slagen: de richtlijn bevat geen rechtstreeks werkende bepalingen en de termijnregeling vormt geen onredelijke beperking van het recht op een eerlijk proces.
Het verzet is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens termijnoverschrijding is ongegrond verklaard.