ECLI:NL:CRVB:2014:2749
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken toename arbeidsongeschiktheid
Appellante, wegens pijnklachten aan rechterpols en -handen arbeidsongeschikt verklaard, vroeg een WIA-uitkering aan die door het UWV werd geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na een nieuw medisch onderzoek en bezwaarprocedure handhaafde het UWV dit besluit. De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) passend was.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren en overhandigde medische stukken en een besluit van de gemeente over huishoudelijke hulp. De Raad oordeelde dat het UWV op goede gronden had vastgesteld dat er geen toename van arbeidsongeschiktheid was. De medische gegevens en het rapport van de gemeente gaven geen aanleiding tot twijfel aan de vastgestelde beperkingen.
De Raad bevestigde dat appellante medisch geschikt was voor de geduide functies en dat het bestreden besluit terecht was genomen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens het ontbreken van een toename van arbeidsongeschiktheid.