Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:2736

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 augustus 2014
Publicatiedatum
13 augustus 2014
Zaaknummer
12-4662 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem geen WIA-uitkering toe te kennen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Het UWV baseerde dit op medische rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, die concludeerden dat appellant niet voldoende beperkingen had om voor een uitkering in aanmerking te komen.

De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij de medische beoordeling als zorgvuldig en goed onderbouwd beschouwde. Appellant stelde in hoger beroep dat hij meer beperkingen had dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst waren opgenomen, en bracht diverse medische rapporten en een eerdere uitspraak van de rechtbank Alkmaar in.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de aanvullende rapporten geen aanleiding gaven om van het oordeel van de verzekeringsarts af te wijken. Het psychologisch rapport had bovendien geen betrekking op de relevante data. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 augustus 2014.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

12/4662 WIA
Datum uitspraak: 13 augustus 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 juli 2012, 11/5506 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.J.M. Arentz-Veldkamp, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2014. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Arentz-Veldkamp. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. E.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.
Bij besluit van 22 juli 2011 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hem, ondanks een vastgestelde toename van reeds aanwezige klachten, met ingang van 8 december 2010 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) wordt geweigerd, omdat nog steeds sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Tevens is appellant meegedeeld dat hem ook per 10 mei 2011 een uitkering ingevolge de Wet WIA wordt geweigerd, omdat per die datum geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 21 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 22 juli 2011 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 18 oktober 2011 en een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 16 november 2011.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de medische beoordeling zorgvuldig was verricht. De verzekeringsartsen hebben op inzichtelijke wijze onderbouwd hoe zij tot de vaststelling van de beperkingen zijn gekomen en waarom de medische informatie van appellants behandelaars geen steun biedt voor het aannemen van nog verdergaande beperkingen per 8 december 2010 alsmede per 10 mei 2011. Gelet op de rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundige achtte de rechtbank voldoende toegelicht dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.
3.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij op de data 8 december 2010 en 10 mei 2011 meer beperkingen heeft dan is weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 juli 2011. Daartoe heeft hij verwezen naar de brieven van zijn fysiotherapeute van 15 mei 2011 en 1 november 2012, naar een rapport van zijn medisch adviseur van 1 maart 2013 en het neurologische expertiserapport van 18 januari 2013 alsmede naar een psychologisch rapport van 1 oktober 2013. Ook heeft appellant gewezen op de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 3 mei 2012 (ECLI:NL:RBALK:2012:BW4458).
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat op grond van de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van het medische onderzoek. Hierbij is meegewogen dat de verzekeringsarts appellant op het spreekuur heeft gezien en bij zijn onderzoek alle relevante gegevens en actuele informatie van de behandelend sector heeft betrokken. Op grond van zijn bevindingen heeft deze arts appellant met ingang van 8 december 2010 verdergaand beperkt geacht. De beperkingen zijn vastgelegd in de FML van 5 juli 2011. Vervolgens heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat op de datum 10 mei 2011 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Blijkens het rapport van 18 oktober 2011 is de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat er geen noodzaak is om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is uitgegaan van de juiste medische gegevens en heeft de verzekeringsarts op logische en transparante wijze uiteengezet dat de geclaimde toegenomen klachten niet zozeer berusten op een nieuw of gewijzigd anatomisch substraat, maar op klachtenbeleving en conditionering die, achteraf bezien, ook al aanwezig waren op de datum 8 december 2010. De bezwaarverzekeringsarts was van mening dat de verzekeringsarts appellant zeer adequaat beperkt heeft geacht. Op grond van het voorgaande bestaat er dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat het medisch onderzoek onvolledig is geweest.
4.2.
Met betrekking tot het door appellant in hoger beroep ingebrachte rapport van zijn medisch adviseur en het neurologische expertiserapport heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 29 augustus 2013 aangegeven dat beide rapporten in essentie geheel in lijn zijn met het door hem in meergenoemd rapport van 18 oktober 2011 vastgestelde medische feitencomplex. Inzake het schrijven van de fysiotherapeute van 1 november 2012 was de bezwaarverzekeringsarts van mening dat het daarin gestelde medisch objectieve onderbouwing miste. Naar aanleiding van hetgeen appellant ter zitting naar voren heeft gebracht, wordt geen reden gezien om de bezwaarverzekeringsarts niet in zijn conclusies te volgen. Met betrekking tot het psychologische rapport van 1 oktober 2013 - dat kennelijk niet door het Uwv is ontvangen - wordt vastgesteld dat dit rapport geen betrekking heeft op de hier in geding zijnde data en derhalve appellant niet kan baten. Ervan uitgaande dat de FML juist is vastgesteld, moet appellant in staat worden geacht de voor hem geselecteerde functies te vervullen.
5.
Uit hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2014.
(getekend) D.J. van der Vos
(getekend) D. Heeremans
IvZ