ECLI:NL:CRVB:2014:2680

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 augustus 2014
Publicatiedatum
7 augustus 2014
Zaaknummer
13-3745 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbWet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens overschrijding termijn functieonderhoud

Appellant, werkzaam als medewerker orde en bewakingsdiensten, diende op 18 mei 2011 een aanvraag in voor functieonderhoud. De korpschef wees dit verzoek bij besluit van 21 oktober 2011 af. Appellant maakte op 7 december 2011 bezwaar, dat op 8 december 2011 werd ontvangen, maar dit was na de wettelijke termijn die op 3 december 2011 eindigde.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard wegens te late indiening. Appellant kon niet geloofwaardig ontkennen het besluit tijdig te hebben ontvangen, waardoor de latere ontvangst van het bezwaarschrift niet kan worden geaccepteerd.

De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk. Tevens wordt de korpschef veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

13/3745 AW
Datum uitspraak: 7 augustus 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 juni 2013, 12/4183 AW (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de korpschef van politie (korpschef)
PROCESVERLOOP
Ingevolge artikel 5 van Pro de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.
Namens appellant heeft mr. P. de Casparis, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Namens de korpschef heeft mr. J.H.M. Huizinga, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is een aanvullend verweerschrift ingediend, waarop appellant een reactie heeft gegeven.
De korpschef heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2014. Namens appellant is verschenen mr. J. van Overdam, advocaat. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Huizinga, mr. W.B. Willems en E.F. van Santen.

OVERWEGINGEN

1.
Appellant was ten tijde van belang aangesteld als medewerker orde en
bewakingsdiensten B. Op 18 mei 2011 heeft appellant een aanvraag ingediend voor functieonderhoud. Bij besluit van 21 oktober 2011 heeft de korpschef onder verwijzing naar een voorgenomen besluit het verzoek om functieonderhoud afgewezen. Appellant heeft bij brief van 7 december 2011, door de korpschef ontvangen op 8 december 2011, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 oktober 2011. De korpschef heeft bij besluit van 12 april 2012 (bestreden besluit) de afwijzing van het functieonderhoud gehandhaafd.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellant heeft gemotiveerd hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
3.2.
De korpschef heeft in zijn aanvullend verweerschrift erop gewezen dat het bezwaarschrift is gedateerd op 7 december 2011 en op 8 december 2011 door de korpschef is ontvangen. De bezwaartermijn eindigde al op 2 december 2011, zodat het bezwaarschrift na de termijn is ontvangen en daarom niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Uit artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 3:41, eerste lid, van die wet volgt dat de bezwaartermijn in het voorliggende geval aanvangt met ingang van de dag na de dag van toezending van het besluit van 21 oktober 2011, dat wil zeggen met ingang van zaterdag 22 oktober 2011. De laatste dag van de bezwaartermijn is, gelet op artikel 6:7 van Pro de Awb, zaterdag 3 december 2011. Het bezwaarschrift is derhalve niet tijdig ingediend.
4.2.1.
In deze situatie is niet de rechtspraak van de Raad van toepassing, die inhoudt dat het risico van het niet-aangetekend verzenden van een poststuk in beginsel voor rekening komt van de afzender (zie bijvoorbeeld 29 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4058). Die rechtspraak is van toepassing indien de betrokkene op geloofwaardige wijze de tijdige ontvangst van een besluit ontkent.
4.2.2.
Dit is hier niet het geval. Appellant erkent namelijk dat hij het besluit van
21 oktober 2011 heeft ontvangen, maar stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat hij zeker weet dat hij dit besluit rond 1 november 2011 heeft ontvangen. Appellant heeft niet duidelijk gemaakt waaraan hij deze zekerheid ontleent. Bovendien is appellant met deze uitdrukkelijke betwisting van de tijdige ontvangst van het besluit afgeweken van zijn stellingname ter zitting bij de rechtbank dat hij het besluit eerder heeft ontvangen, maar de eerdere ontvangst niet uitdrukkelijk heeft ontkend. De Raad ziet in deze niet consistente stellingname geen geloofwaardige wijze van ontkenning van de tijdige ontvangst van het besluit van 21 oktober 2011.
4.3.
Hieruit volgt dat het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.
5.
Er is aanleiding om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant, begroot op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 april 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het bezwaar tegen het besluit van 21 oktober 2011 niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de korpschef aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 395,- vergoedt;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal
€ 1.948,-.
Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.N.A. Bootsma en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2014.
(getekend) K.J. Kraan
(getekend) B. Rikhof

HD