ECLI:NL:CRVB:2014:2672
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WGA-loonaanvullingsuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving vanaf 13 september 2010 een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA. Het UWV stelde bij besluit van 11 oktober 2011 vast dat zij vanaf 12 december 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor het recht op de uitkering verviel. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 2 april 2012 ongegrond werd verklaard. De rechtbank ’s-Hertogenbosch verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het besluit was gebaseerd op een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij lijdt aan ernstige psychische aandoeningen en een intensief behandeltraject volgt, waardoor een deskundigenonderzoek noodzakelijk is om haar beperkingen in samenhang te beoordelen. Het UWV handhaafde het standpunt dat de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit zorgvuldig was vastgesteld.
De Raad onderschreef de medische beoordeling van de rechtbank, waarbij de informatie van de psychiater en de bezwaarverzekeringsarts was betrokken. De Raad oordeelde dat tijdelijke klachten tijdens het behandeltraject geen blijvende beperkingen rechtvaardigen en dat appellante geen nieuw medisch bewijs had overgelegd. Ook de arbeidskundige beoordeling, waarin passende functies waren geselecteerd, werd bevestigd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.