ECLI:NL:CRVB:2014:267
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- C.C.W. Lange
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, houdster van de Oostenrijkse nationaliteit, vroeg in 2000 een nabestaandenuitkering aan na het overlijden van haar ex-echtgenoot. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde deze uitkering per 1 april 2003 omdat zij oordeelde dat appellante niet meer dan 45% arbeidsongeschikt was. De rechtbank Amsterdam vernietigde dit besluit deels, maar handhaafde de rechtsgevolgen en kende appellante een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep stond centraal of de uitkering terecht was beëindigd. Appellante stelde dat zij sinds 1981 arbeidsongeschikt was en dat de maatman, de architect, als referentie moest gelden voor het maatmanloon. Zij bracht echter geen medische stukken ter onderbouwing mee. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellante niet aannemelijk had gemaakt sinds 1981 arbeidsongeschikt te zijn en dat het maatmanloon gelijkgesteld moest worden aan het wettelijk minimumloon.
De Raad overwoog verder dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de functies die appellante geacht werd te kunnen vervullen passend waren, ook rekening houdend met haar psychische beperkingen. Nieuwe medische verklaringen brachten geen nieuwe inzichten. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op nabestaandenuitkering vanaf 1 april 2003 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.