Uitspraak
OVERWEGINGEN
1.5. Bij brief van 14 mei 2012 heeft appellant beroep ingesteld tegen het besluit van 15 april 2009.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was geconfronteerd met een terugvordering van €33.402,78 wegens ten onrechte verleende bijstand. Na bezwaar tegen het besluit tot terugvordering verklaarde het college het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege termijnoverschrijding. Appellant stelde later beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde dit beroep eveneens niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank ten onrechte de beroepstermijn had berekend vanaf een eerdere uitspraak van de Raad en dat hij zijn beroepschrift direct had ingediend zodra dat mogelijk was. De Raad oordeelde dat de beroepstermijn juist begon te lopen vanaf de dag na de bekendmaking van het bestreden besluit en dat appellant de termijn ruim had overschreden.
De Raad verwierp het betoog dat de uitspraak van 27 september 2011 niet voldeed aan artikel 3:45 Awb Pro en dat appellant niet tijdig kon instellen. Er was geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot niet-ontvankelijkheid van bezwaar wordt verworpen wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.