ECLI:NL:CRVB:2014:2612
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 18 januari 2011 waarin werd vastgesteld dat zij met ingang van 7 februari 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard bij besluit van 15 augustus 2011. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) goed was onderbouwd.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren en stelde dat haar pijnklachten, artrose, rughernia en psychische beperkingen haar belemmerden om de voorgestelde functies uit te oefenen, en dat ten onrechte geen rekening was gehouden met een urenbeperking vanwege vermoeidheidsklachten. De Raad concludeerde dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en juist was en dat de FML van 15 augustus 2011 geen aanleiding gaf tot twijfel.
Hoewel appellante verwees naar een eerdere FML van een bedrijfsarts die een urenbeperking aannam, oordeelde de Raad dat deze in een ander wettelijk kader was opgesteld en onvoldoende medische onderbouwing bevatte. De bezwaarverzekeringsarts had adequaat gemotiveerd waarom geen urenbeperking noodzakelijk was en de voorgestelde functies passend waren. Het hoger beroep slaagde niet en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen WIA-uitkering krijgt vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.