Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2014.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1941, diende op 12 september 2010 een aanvraag in op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Deze werd op 19 maart 2012 afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat zij vervolging had ondergaan of dat haar psychische klachten redelijkerwijs verband hielden met de oorlogsomstandigheden.
Na bezwaar werd dit besluit bevestigd in het bestreden besluit van 15 november 2012. Appellante stelde dat haar psychische klachten wel degelijk samenhingen met het overlijden van haar biologische vader, die zij nooit had gekend, en dat zij daarom met de vervolgde gelijkgesteld moest worden.
De Raad oordeelde echter dat uit medisch onderzoek bleek dat de klachten niet of nauwelijks toe te schrijven waren aan het overlijden van haar vader, maar eerder aan andere grote tegenslagen en problemen in haar leven. Verslagen van therapeuten en psychiatrische klinieken ondersteunden dit oordeel niet anders. Ook appellantes eigen toelichtingen wezen vooral op een verstoorde opvoeding, die niet rechtstreeks aan het overlijden van haar vader kon worden toegeschreven.
De Raad handhaafde de strikte causaliteitsbeoordeling waarbij alleen klachten die rechtstreeks samenhangen met het overlijden van de vader in aanmerking komen voor gelijkstelling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de psychische klachten van appellante niet rechtstreeks samenhangen met het overlijden van haar vader.