ECLI:NL:CRVB:2014:2537

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juli 2014
Publicatiedatum
25 juli 2014
Zaaknummer
13-816 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 Wuv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening van periodieke uitkering op grond van Wuv

Appellante, erkend als vervolgde onder de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verzocht om herziening van de grondslag van haar periodieke uitkering. Dit verzoek betrof het terugkomen op een eerder onherroepelijk besluit van 7 december 1988 waarin haar uitkering was vastgesteld op het wettelijke minimum, mede omdat zij als huisvrouw zonder eigen inkomen werd beschouwd.

De Raad oordeelde dat het verzoek kwalificeert als een herzieningsverzoek op grond van artikel 61, tweede lid, Wuv, waarbij alleen nieuwe feiten of omstandigheden aanleiding kunnen geven tot herziening. Appellante bracht geen nieuwe feiten aan; haar werkhervatting na zwangerschapsverlof was reeds bekend bij het eerdere besluit, en het ontslag in 1987 was het gevolg van bezuinigingen, niet van causale redenen.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 juli 2014.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit tot afwijzing van haar verzoek tot herziening van de grondslag van haar periodieke uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

13/816 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellante] te[woonplaats] Israël (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 oktober 2012, kenmerk BZ01472956 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940‑1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2014. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs en mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, geboren in 1942, heeft in 1971 een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde en om toekenningen op grond van de Wuv. In 1975 is zij als vervolgde erkend en zijn haar psychische klachten als causaal aanvaard. Als gehuwde vrouw, niet zijnde kostwinner, is haar met ingang van 1 januari 1973 een aanvullende periodieke uitkering toegekend. In 1987 heeft de Raad een uitspraak gedaan die inhoudt dat op 23 december 1984 een tijdstip was bereikt waarop aan gehuwde vrouwen niet langer eisen met betrekking tot kostwinnerschap mochten worden gesteld waaraan gehuwde mannen niet behoefden te voldoen (uitspraak van 14 mei 1987, ECLI:NL:CRVB:1987:AK7528). Naar aanleiding hiervan is bij besluit van 7 december 1988 aan appellante met ingang van 1 december 1984 een gewone periodieke uitkering toegekend. De grondslag daarvan is bepaald op het in de Wuv voorziene minimum. Daartoe is overwogen dat appellante ten tijde van het tot uiting komen van haar causale ziekten of gebreken functioneerde als huisvrouw, maar als zodanig zelf geen inkomen genoot, zodat zij niet was aangewezen op inkomsten uit arbeid in beroep of bedrijf. Het hiertegen gerichte bezwaar van appellante is uiteindelijk bij besluit van 27 april 1990 ongegrond verklaard.
1.2.
Bij brief van 14 februari 2011 heeft appellante verzocht de grondslag van haar periodieke uitkering te herzien. Bij besluit van 30 januari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder dit verzoek afgewezen.
2.
Naar aanleiding van wat in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
2.1.
Het verzoek van appellante van 14 februari 2011 strekt ertoe dat verweerder wat betreft de grondslag van de periodieke uitkering terugkomt van het in rechte onaantastbaar geworden besluit van 7 december 1988. Dit verzoek is door verweerder terecht aangemerkt als een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 61, tweede lid, van de Wuv.
2.2.
Op grond van die wetsbepaling is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een eerder gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellante feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en die dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.
2.3.
In haar verzoek om herziening heeft appellante aangevoerd dat zij in 1972 zwangerschapsverlof had, maar dat zij nadien weer is gaan werken. Ter ondersteuning van deze stelling heeft zij een overzicht van haar achtereenvolgende werkgevers overgelegd, afkomstig van het[instituut] Het gaat daarbij echter om gegevens die (de rechtsvoorganger van) verweerder in essentie reeds bekend waren bij het nemen van het besluit van 7 december 1988. In het aanvullend sociaal rapport van 13 december 1987 is vermeld dat appellante in 1973 weer is gaan werken, dat zij in december 1977 een baantje kreeg als receptioniste en dat zij daar tot mei 1987 heeft gewerkt. Dat appellante na de geboorte van haar tweede kind opnieuw aan het werk is gegaan, is dus geen nieuw feit als onder 2.2 bedoeld.
2.4.
Evenmin zijn (nieuwe) feiten of omstandigheden naar voren gekomen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat appellante, zoals zij stelt, omstreeks 1984/1987 om causale redenen heeft moeten stoppen met werken. Uit de verklaring van haar toenmalige werkgever komt naar voren dat zij per 30 april 1987 is ontslagen in verband met bezuinigingsmaatregelen.
2.5.
Het beroep is dus ongegrond.
3.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en
B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De
beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2014.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD