ECLI:NL:CRVB:2014:2487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering partnertoeslag studiefinanciering wegens overschrijding inkomensgrens
Appellante ontving studiefinanciering inclusief een partnertoeslag op grond van de Wet studiefinanciering 2000. Na onderzoek stelde de Minister vast dat zij ten onrechte een deel van de toeslag had ontvangen vanwege het overschrijden van de inkomensgrens door haar partner in 2010. De Minister vorderde een bedrag van €3.343,62 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze terugvordering ongegrond, omdat het inkomen van haar partner hoger was dan het in de wet genoemde grensbedrag. Appellante stelde in hoger beroep dat het inkomen van haar partner lager was dan vastgesteld, maar de Raad oordeelde dat haar berekening onvolledig was omdat zij alleen de maanden mei tot en met november 2010 meerekende, terwijl het inkomen over het hele jaar moest worden beoordeeld.
De Raad bevestigde dat het beleid van de Minister een maandelijkse toetsing van het inkomen hanteert met een grens van €718,25 per maand. Uit de stukken bleek dat het inkomen van de partner in de relevante maanden hoger was dan deze grens, ook nadat een uitkering in november was meegenomen. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit blijven daarmee in stand en een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: De terugvordering van de partnertoeslag studiefinanciering wordt bevestigd wegens overschrijding van de inkomensgrens door de partner van appellante.