ECLI:NL:CRVB:2014:2486
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vordering wegens overschrijding bijverdiengrens studiefinanciering zonder toepassing hardheidsclausule
Appellant ontving studiefinanciering over 2010 en werd geconfronteerd met een vordering wegens overschrijding van de bijverdiengrens van €13.215,83, vastgesteld op €1.987,02. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verklaarde het bezwaar ongegrond, waarbij werd gesteld dat geen omstandigheden aanwezig waren die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigden.
De rechtbank Oost-Brabant wees het beroep van appellant tegen deze beslissing af. In hoger beroep voerde appellant opnieuw aan dat zijn situatie, waaronder de slechte gezondheid van zijn vader en problemen met belastingaangifte, toepassing van de hardheidsclausule zou rechtvaardigen.
De Centrale Raad oordeelde dat appellant weliswaar meerinkomen had, maar dat hij niet tijdig contact heeft gezocht met de Minister om zijn studiefinanciering met terugwerkende kracht te beëindigen. De omstandigheden rechtvaardigen geen afwijking van de dwingendrechtelijke bepalingen van de Wet studiefinanciering 2000. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vordering wegens overschrijding van de bijverdiengrens blijft in stand.