ECLI:NL:CRVB:2014:2484

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juli 2014
Publicatiedatum
23 juli 2014
Zaaknummer
13-6848 ZVW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:5 AwbArt. 1 bijlage 2 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen aanmaning zorgverzekering niet-ontvankelijk verklaard

Appellant ontving op 18 maart 2013 een brief van het Zorginstituut waarin werd meegedeeld dat hij geen zorgverzekering had en werd aangemaand binnen drie maanden een verzekering af te sluiten. Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het Zorginstituut verklaarde dit bezwaar op 16 mei 2013 niet-ontvankelijk omdat tegen een aanmaning geen bezwaar kan worden gemaakt.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk was. Appellant stelde in hoger beroep dat hij geen verzekering kon afsluiten vanwege financiële redenen, maar dit was volgens de Raad niet relevant voor de ontvankelijkheid van het bezwaar.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat tegen een aanmaning geen bezwaar openstaat. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit blijven in stand, en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de aanmaning tot het afsluiten van een zorgverzekering is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

13/6848 ZVW
Datum uitspraak: 23 juli 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 november 2013, 13/3523 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)
PROCESVERLOOP
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.E. Berghout.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij brief van 18 maart 2013 heeft het Zorginstituut aan appellant meegedeeld dat hij volgens de gegevens van het Zorginstituut geen zorgverzekering had en hem aangemaand een dergelijke verzekering af te sluiten binnen drie maanden na 18 maart 2013.
1.2. Het Zorginstituut heeft het tegen de brief van 18 maart 2013 door appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 16 mei 2013 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat tegen deze brief, gelet artikel 8:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 1 van Pro bijlage 2 bij de Awb, de mogelijkheid van bezwaar en beroep niet openstaat.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat - in ieder geval - appellants brief van
29 maart 2013 door het Zorginstituut mocht worden beschouwd als bezwaarschrift tegen de brief van 18 maart 2013. Dat bezwaar is naar het oordeel van de rechtbank terecht
niet-ontvankelijk verklaard, omdat tegen een aanmaning geen bezwaar kan worden gemaakt.
3.
De Raad begrijpt wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd aldus dat appellant meent dat het Zorginstituut weliswaar terecht heeft vastgesteld dat hij geen zorgverzekering had, maar dat de mogelijkheid om een verzekering af te sluiten ontbrak omdat hij zo’n verzekering niet kon (en nog steeds niet kan) betalen.
4.
De Raad overweegt als volgt.
4.1.
Wat appellant heeft aangevoerd in hoger beroep heeft vooral betrekking op de vraag of hem kan worden verweten dat hij niet (tijdig) een zorgverzekering had afgesloten. Die vraag is in deze procedure echter niet aan de orde. Wat appellant heeft aangevoerd kan aan de juistheid van de aangevallen uitspraak niets afdoen. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat tegen de brief van 18 maart 2013 geen bezwaar kan worden gemaakt en dat het Zorginstituut het bezwaarschrift dus terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.2.
Nu het beroep tegen het bestreden besluit door de rechtbank terecht ongegrond is verklaard moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
5.
Omdat de aangevallen uitspraak en het bestreden in stand blijven, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014.
(getekend) J. Brand
(getekend) H.J. Dekker

RK