Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:2415

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juli 2014
Publicatiedatum
16 juli 2014
Zaaknummer
13-1715 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens niet tijdig overleggen gevraagde gegevens en overschrijding vermogensgrens

Appellanten ontvingen sinds 1986 bijstand op grond van de WWB. Het college stelde een onderzoek in naar het bezit van een woning in Marokko, waarvan de waarde werd vastgesteld op €14.040,-. Daarnaast werd vastgesteld dat zij een inwonend meerderjarig kind hadden met arbeidsinkomsten. Ondanks herhaalde verzoeken van het college hebben appellanten niet tijdig de gevraagde salarisstroken, studiefinancieringsbescheiden en gegevens over de woning en de financiering daarvan overgelegd.

Het college schortte daarop het recht op bijstand op en trok deze later met ingang van 12 januari 2012 in. Appellanten maakten bezwaar tegen dit besluit, maar het college verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarna appellanten hoger beroep instelden bij de Centrale Raad van Beroep.

In hoger beroep voerden appellanten aan dat de woning in Marokko niet uitsluitend hun eigendom was, maar ook van andere familieleden, en dat de waarde lager was dan door het college gesteld. De Raad overwoog dat appellanten verwijtbaar hebben nagelaten de noodzakelijke gegevens tijdig te verstrekken, dat het college een redelijke termijn had gesteld en dat de intrekking op grond van artikel 54 WWB Pro terecht was. De stelling dat de woning mede eigendom was van familieleden leidde niet tot een ander oordeel.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.

Uitspraak

13/1715 WWB, 13/1716 WWB
Datum uitspraak: 15 juli 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van
27 februari 2013, 12/6211 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant](appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. W.G.H. Janssen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Janssen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Gieske.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvingen sinds 24 december 1986 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van mededelingen van appellant heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een onderzoek doen instellen naar het bezit van appellant van onroerende zaken in Marokko. Uit dit onderzoek is gebleken dat appellant volgens mededeling van de plaatselijke moquaddem in de gemeente [naam gemeente] eigenaar is van een huis en dat de waarde van dat huis door een beëdigd taxateur op 12 december 2011 is bepaald op € 14.040,-.
1.2.
Uit een signaal van het inlichtingenbureau is voorts gebleken dat appellanten een inwonend meerderjarig kind hebben met inkomsten uit arbeid. In verband hiermee heeft de consulent Team Werk en Inkomen appellanten bij brief van 5 januari 2012 uitgenodigd om vóór 12 januari 2012 salarisstroken van de zoon vanaf 1 juni 2011 tot 1 januari 2011 en de beschikking einde studiefinanciering van de zoon over te leggen. Appellanten hebben aan die uitnodiging geen gehoor gegeven. Hierop heeft het college het recht op bijstand van appellanten bij besluit van 20 januari 2012 opgeschort vanaf 12 januari 2012 en appellanten in de gelegenheid gesteld vóór 27 januari 2012 alsnog de eerder gevraagde gegevens over te leggen alsmede de koopakte van de woning in Marokko en gegevens waaruit blijkt hoe die woning is gefinancierd. Appellanten hebben de gevraagde stukken niet overgelegd. Zij hebben tegen het besluit van 20 januari 2012 een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van
8 februari 2012 heeft het college appellanten verzocht vóór 15 februari 2012 alsnog inkomens- en bankgegevens van de zoon over te leggen alsmede de koopakte van de woning in Marokko en gegevens waaruit blijkt hoe die woning is gefinancierd. Daarbij heeft het college appellanten erop gewezen dat de bijstand kan worden beëindigd indien aan het verzoek niet wordt voldaan. Appellanten hebben echter ook vóór 15 februari 2012 niet alle gevraagde gegevens overgelegd.
1.3.
Bij besluit van 22 februari 2012 heeft het college de aan appellanten verleende bijstand met ingang van 12 januari 2012 ingetrokken.
1.4.
Bij besluit van 3 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de opschorting en intrekking van de bijstand met ingang van 12 januari 2012 ongegrond verklaard. De opschorting en de intrekking heeft het college gebaseerd op artikel 54, eerste en vierde lid, van de WWB.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben, samengevat, het volgende aangevoerd. De woning in Marokko is niet uitsluitend eigendom van appellant, maar ook van andere familieleden van appellant. Hoeveel familieleden dat precies zijn, is niet bekend. De waarde van de woning is minder dan € 10.000,-. Het gaat feitelijk om niet meer dan twee muren, een deur en wat zand. Het is momenteel een onderkomen voor schapen. Het zelfstandig verkopen en te gelde maken van de woning is niet mogelijk en de geringe waarde ervan dient dan nog te worden gedeeld met de mede-eigenaren, zodat het vermogen ruimschoots minder is dan de voor appellanten geldende grens van het vrij te laten vermogen. Kadastrale inschrijving is niet vereist en heeft dan ook niet plaatsgevonden.
4.
De Raad overweegt het volgende.
4.1.
Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de WWB kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten. Artikel 54, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het college aan de belanghebbende mededeling doet van de opschorting en hem uitnodigt binnen een door hem te stellen termijn het verzuim te herstellen.
4.2.
Appellanten hebben niet betwist dat het gaat om voor de vaststelling van het recht op bijstand noodzakelijke gegevens en dat het college ter zake van het overleggen daarvan niet een onredelijk korte termijn heeft geboden. Voorts staat vast dat appellanten hebben nagelaten tijdig de door het college gevraagde gegevens over te leggen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat hen daarvan geen verwijt valt te maken. Dit betekent dat het college op grond van artikel 54, eerste lid, van de WWB bevoegd was tot opschorting van het recht op bijstand vanaf 12 januari 2012, zijnde de eerste dag waarop appellanten geen gevolg hebben gegeven aan het verzoek van het college tot het overleggen van de gevraagde gegevens. In wat appellanten hebben aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet tot opschorting mocht overgaan.
4.3.
Ten aanzien van de intrekking van de bijstand staat vast dat appellanten van de mogelijkheid om de ontbrekende gegevens alsnog vóór 15 februari 2012 in te leveren geen gebruik hebben gemaakt. Appellanten hebben evenmin uitstel gevraagd van de gegeven hersteltermijn. Appellanten hebben wel in bezwaar nog gegevens overgelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7575) komt in beginsel echter geen betekenis toe aan gegevens of stukken die tijdens de bezwaarfase alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien appellanten aannemelijk maken dat het gaat om gegevens of stukken die zij redelijkerwijs niet binnen de gegeven hersteltermijn hebben kunnen verstrekken. In het voorgaande ligt al besloten dat appellanten hierin niet zijn geslaagd. Dit betekent dat ook aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. In wat appellanten hebben aangevoerd wordt geen grond gezien voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.
4.4.
De beroepsgrond dat de woning in Marokko niet alleen eigendom van appellanten is, maar van de gehele familie, kan, gelet op het hier aan de orde zijnde toetsingskader, niet tot een ander oordeel leiden.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2014.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) J.T.P. Pot

HD