ECLI:NL:CRVB:2014:2349
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand sinds 1 maart 2001. Op 3 maart 2011 voerde de politie een onderzoek uit naar illegale taxichauffeurs in Amsterdam Zuidoost. De politie observeerde dat appellant met zijn auto twee mannen vervoerde tegen betaling. Appellant ontkende dit tijdens verhoren, maar werd geconfronteerd met getuigenverklaringen en processen-verbaal.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam besloot op 24 november 2011 de bijstand over maart 2011 in te trekken en €1.313,85 terug te vorderen wegens het verrichten van op geld waardeerbare arbeid zonder dit te melden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de getuige cruciaal was en dat diens verklaring in een strafzaak anders was, wat de verdenking zou ondermijnen. De Raad oordeelde echter dat de waarnemingen van de politie en de getuigenverklaring voldoende feitelijke grondslag boden. De Raad stelde vast dat het college bevoegd was het besluit te nemen zonder af te wachten op een strafrechterlijke uitspraak, aangezien intrekking en terugvordering geen bestraffende sancties zijn.
Verder wees de Raad het bezwaar tegen een passage over een hoge kilometerstand af, omdat deze niet relevant was voor het onderzochte tijdvak. De aangevoerde gronden in hoger beroep faalden, waarna de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigde en geen proceskosten toekende.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het verrichten van niet gemelde arbeid.