ECLI:NL:CRVB:2014:2324

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2014
Publicatiedatum
9 juli 2014
Zaaknummer
12-2655 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:3 Wet WajongArt. 2:5 Wet WajongArt. 2:11 Wet WajongArt. 2:15 Wet Wajong
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsbeperkingen

Appellante verzocht op 6 januari 2011 om een uitkering op grond van de Wet Wajong. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees dit verzoek af omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden, met name omdat zij naar oordeel van het Uwv in staat was ten minste 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen op 21 april 2011.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij geen jeugdgehandicapte was in de zin van de Wet Wajong. In hoger beroep stelde appellante dat zij slechts 13 uur per maand als overblijfmoeder werkte en nooit 75% van het WML had verdiend, en overhandigde zij aanvullende medische en gemeentelijke documenten.

De Raad stelde vast dat het Uwv het verdienvermogen baseerde op gangbare arbeid en niet op de feitelijke werkzaamheden als overblijfmoeder. Uit verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek bleek dat appellante met passend werk ten minste 75% van het WML kon verdienen. De ingebrachte medische stukken waren niet actueel genoeg om het oordeel te wijzigen.

De Raad concludeerde dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellante in staat was ten minste 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen.

Uitspraak

12/2655 WAJONG
Datum uitspraak: 2 juli 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van
29 maart 2012, 11/3474 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.E.M. Jacquemard, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2014, waar namens appellante is verschenen mr. Jacquemard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.
Appellante is geboren op 6 juni 1959. Op 6 januari 2011 heeft appellante het Uwv gevraagd haar een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) toe te kennen. Bij besluit van 28 maart 2011 heeft het Uwv geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een Wet Wajong-uitkering, omdat appellante niet aan de voorwaarden daarvoor voldoet. Het Uwv heeft bij besluit van 7 september 2011 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 maart 2011 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het standpunt dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen op 21 april 2011 (16 weken na datum aanvraag) in staat wordt geacht ten minste 75% van het wettelijk minimumloon (WML) te verdienen.
2.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht aan appellante een uitkering op grond van de Wet Wajong heeft geweigerd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante geen jeugdgehandicapte is in de zin van artikel 2:3, eerste lid, onder a, van de Wet Wajong die niet in staat is met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij maar 13 uur per maand heeft gewerkt als overblijfmoeder. Gezien dat urenaantal heeft zij nooit 75% van het WML verdiend. Bij schrijven van 8 mei 2014 heeft appellante een aantal stukken toegezonden met betrekking tot haar arbeidsverleden en informatie van de huisarts en de gemeente, op grond waarvan zij zich op het standpunt stelt dat deelname aan het arbeidsproces niet haalbaar is.
3.2.
In het verweerschrift heeft het Uwv erop gewezen dat het standpunt dat appellante ten minste 75% van het WML kon verdienen, niet gebaseerd is op haar werkzaamheden en verdiensten als overblijfmoeder, maar op gangbare arbeid.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 2:3, eerste lid, van de Wet Wajong bepaalt dat jonggehandicapte is, degene die aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen. In artikel 2:5, eerste lid, van de Wet Wajong is, ter nadere invulling van het begrip jonggehandicapte, bepaald dat de beoordeling van wat iemand met arbeid kan verdienen, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.
Artikel 2:15 van Pro de Wet Wajong regelt het recht op arbeidsondersteuning en luidt als volgt:
“1. De jonggehandicapte heeft op aanvraag recht op arbeidsondersteuning op
grond van dit hoofdstuk, indien:
a. hij sinds de dag waarop hij jonggehandicapte werd niet in staat is gebleven meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen;
b. op hem geen uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 2:11 van Pro toepassing is;
c. hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
d. hij de aanvraag, bedoeld in de aanhef, heeft ingediend op of na de datum van inwerkingtreding van de Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning (Stb. 580).
2.
Het recht op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk ontstaat op de dag dat aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan doch niet eerder dan zestien weken na de dag waarop de aanvraag om het recht op arbeidsondersteuning, bedoeld in dit artikel, werd ingediend.”
4.2.
Ingeval van een laattijdige aanvraag na 1 januari 2010 is het, op grond van het bepaalde in artikel 2:15, tweede lid, van de Wet Wajong, niet mogelijk een Wet Wajong-uitkering toe te kennen met terugwerkende kracht. Het recht op arbeidsondersteuning (dit is voorwaarde voor inkomensondersteuning of uitkering) kan niet eerder ingaan dan 16 weken na de aanvraag, in dit geval 21 april 2011. In deze situatie kan, ter beoordeling of appellante in aanmerking komt voor arbeidsondersteuning, derhalve volstaan worden met te bezien of appellante op 21 april 2011 in staat is om 75% of meer van het WML te verdienen. Appellante is onderzocht door een verzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts, die bij de hoorzitting aanwezig was, heeft zich kunnen verenigen met de conclusies van de verzekeringsarts en de door deze opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst.
De bezwaararbeidsdeskundige heeft met inachtneming van het verzekeringsgeneeskundige oordeel onderzoek gedaan naar het verdienvermogen van appellante en geconcludeerd dat zij met passend werk in staat is ten minste 75% van het WML te verdienen. Er is geen aanleiding het verrichte onderzoek onzorgvuldig of niet compleet te achten. Naast spreekuuronderzoek waren gegevens over de gezondheid van appellante uit het verleden aanwezig, die bij de beoordeling zijn betrokken.
4.3.
In beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 27 januari 2012 gereageerd op de bij brief van 5 september 2011 nader ontvangen medische informatie en geconcludeerd dat die nadere gegevens geen aanleiding geven een ander standpunt in te nemen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 27 januari 2012 overwogen dat de brief van de huisarts van 29 augustus 2011 geen inhoudelijk specifieke medische gegevens weergeeft over appellante. De brieven uit 1995 van de psychotherapeut en sociaal psychiatrisch verpleegkundige zijn te oud om van invloed te kunnen zijn op de thans te beoordelen datum 21 april 2011. De twee brieven van de psychiater uit 2003 en 2006 zijn eveneens te oud van datum om als maatgevend te kunnen worden beschouwd voor de medische situatie en de beperkingen van appellante op de te beoordelen datum 21 april 2011. Overigens, uitgaande van de veronderstelling dat de medische situatie van appellante tussen
7 juni 2006 en 21 april 2011 niet wezenlijk is gewijzigd, kon vastgesteld worden dat de beperkingen op psychisch belastende factoren wel passen bij de bevindingen en conclusies, die de psychiater op 7 juni 2006 op papier heeft gezet. De twee brieven van de psychiater doen het standpunt over de beperkingen van appellante op de datum in geding dan ook niet wijzigen.
4.4.
Er is geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid en aan het gemotiveerde standpunt dat de nader ingebrachte medische informatie niet tot een andere conclusie leidt. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, biedt geen steun voor het standpunt dat appellante op
21 april 2011 niet in staat was 75% van het WML te verdienen.
4.5.
Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

de Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) D.E.P.M. Bary

TM