ECLI:NL:CRVB:2014:2324
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsbeperkingen
Appellante verzocht op 6 januari 2011 om een uitkering op grond van de Wet Wajong. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees dit verzoek af omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden, met name omdat zij naar oordeel van het Uwv in staat was ten minste 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen op 21 april 2011.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij geen jeugdgehandicapte was in de zin van de Wet Wajong. In hoger beroep stelde appellante dat zij slechts 13 uur per maand als overblijfmoeder werkte en nooit 75% van het WML had verdiend, en overhandigde zij aanvullende medische en gemeentelijke documenten.
De Raad stelde vast dat het Uwv het verdienvermogen baseerde op gangbare arbeid en niet op de feitelijke werkzaamheden als overblijfmoeder. Uit verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek bleek dat appellante met passend werk ten minste 75% van het WML kon verdienen. De ingebrachte medische stukken waren niet actueel genoeg om het oordeel te wijzigen.
De Raad concludeerde dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellante in staat was ten minste 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen.