Uitspraak
OVERWEGINGEN
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verzocht om binnen een gestelde termijn alle bankafschriften van de afgelopen zes maanden te overleggen. Hoewel zij om uitstel vroeg en dit kreeg, leverde zij niet alle gevraagde stukken tijdig aan. Hierdoor stelde het college de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard door het college en de voorzieningenrechter. In hoger beroep voerde zij aan dat haar persoonlijke omstandigheden, waaronder arbeidsongeschiktheid en complexe privésituatie, niet voldoende waren meegewogen en dat zij later alsnog stukken had overlegd.
De Raad oordeelde dat het college terecht de aanvraag buiten behandeling stelde omdat de gevraagde gegevens noodzakelijk zijn voor een juiste beoordeling en appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij redelijkerwijs niet in staat was de stukken binnen de termijn te overleggen. Ook waren de later ingediende stukken niet relevant voor het primaire besluit. De persoonlijke omstandigheden werden onvoldoende onderbouwd met objectieve gegevens, zodat het college niet onredelijk had gehandeld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag bijstand is terecht buiten behandeling gesteld wegens niet tijdig aanleveren van gevraagde gegevens.