ECLI:NL:CRVB:2014:2190
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek uitbetaling aanspraken op FPU-uitkering op grond van VROM-regeling
Appellant was voltijds werkzaam bij een werkgever van het voormalige ministerie van VROM en heeft aanspraak gemaakt op een FPU-uitkering over de periode van 1 april 2005 tot 1 april 2007. Na eerdere procedures is een FPU-arrangement vastgesteld met ingang van 1 april 2007, maar geen aanspraken toegekend over de periode daarvoor.
Appellant verzocht de minister om alsnog uitbetaling van de aanspraken over de periode 2005-2007, maar dit verzoek werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant aanspraken vorderde die nooit zijn toegekend en het geschil hierover definitief was beslecht.
In hoger beroep stelt appellant dat hij een erkende aanspraak heeft op de FPU-uitkering over die periode op grond van het Tijdelijk besluit en de VROM-regeling. De Raad oordeelt dat de VROM-regeling slechts algemene regels bevat die moeten worden geconcretiseerd in individuele besluiten alvorens aanspraken ontstaan.
De concretisering vond plaats bij het besluit van 21 december 2006 met ingang van 1 april 2007, wat rechtsgeldig is vastgesteld. Daarom is het verzoek tot uitbetaling van aanspraken over de eerdere periode terecht afgewezen en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Er is geen grond voor vergoeding van schade of proceskosten, en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot uitbetaling van aanspraken op FPU-uitkering over 2005-2007 wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.