Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:2182

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2014
Publicatiedatum
26 juni 2014
Zaaknummer
13-1942 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 15, eerste lid WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing herhaalde aanvraag bijzondere bijstand tandartskosten

Appellante heeft op 28 juni 2011 bijzondere bijstand aangevraagd voor nog te maken tandheelkundige kosten, welke door het college werd afgewezen omdat vergoeding mogelijk was via een voorliggende voorziening. Op 7 september 2011 diende zij een nieuwe aanvraag in voor dezelfde kosten, die eveneens werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond omdat het een herhaalde aanvraag betrof zonder nieuwe feiten of omstandigheden.

In hoger beroep stelde appellante dat de aanvragen verschillend waren en dat zij niet beschikte over een afwijzing van vergoeding door de zorgverzekeraar. De Raad oordeelde echter dat beide aanvragen betrekking hadden op dezelfde tandheelkundige kosten en dat de omstandigheden vergelijkbaar waren. De toetsing bleef beperkt tot de vraag of er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren, wat niet het geval bleek.

Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de herhaalde aanvraag bijzondere bijstand wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

13/1942 WWB
Datum uitspraak: 24 juni 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
6 maart 2013, 12/3568 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Diemen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2014. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.E. Dirks, advocaat. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft op 28 juni 2011 bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor nog te maken tandheelkundige kosten. Bij besluit van
24 augustus 2011 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante voor deze kosten een beroep kan doen op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB. De totale kosten van de behandeling kunnen op aanvraag van de behandelend tandarts worden vergoed door de zorgverzekeraar. De behandeling kan na verwijzing door de behandelend tandarts ook worden uitgevoerd door de Stichting Bijzondere Tandheelkunde.
1.2.
Met een brief van 7 september 2011 heeft appellante opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd voor nog te maken tandheelkundige kosten. Bij deze aanvraag is vermeld dat de kosten zijn begroot op € 2.389,39. Bijgevoegd is een ten behoeve van appellante door een tandarts opgestelde begroting van 22 juni 2011 en een in het kader van de behandeling van de aanvraag van 28 juni 2011 op verzoek van het college door tandarts M. Engels opgemaakt rapport, waaruit blijkt dat appellante in aanmerking zou kunnen komen voor bijzondere tandheelkunde.
1.3.
Bij besluit van 24 februari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beoordeling is daarom beperkt tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan met het bestreden besluit het besluit van
24 augustus 2011 had moeten worden herzien. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit niet het geval is.
3.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante is geen sprake van een herhaalde aanvraag omdat zowel de inhoud van de aanvragen als de verzochte bedragen verschillend zijn en omdat de aanvragen op verschillende gronden zijn afgewezen. Bovendien kan appellante niet beschikken over een door haar te overleggen afwijzing van een vergoeding van de tandartskosten. Het college had daarom niet tot het bestreden besluit kunnen komen.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van Pro de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zo’n geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
4.2.
In geschil is eerst de vraag of de thans in geding zijnde aanvraag om bijzondere bijstand door de rechtbank terecht is aangemerkt als een herhaalde aanvraag. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. De aanvragen van 28 juni 2011 en van 7 september 2011 hebben betrekking op dezelfde kosten. Dat bij de aanvraag van 7 september 2011, overigens bij afzonderlijk schrijven, tevens is verzocht om bijzondere bijstand voor advocaatkosten, maakt niet dat deze aanvraag voor wat betreft de bijzondere bijstand in de kosten van tandheelkundige behandeling verschilde van de aanvraag van 28 juni 2011. Ook de kosten waarin bijstand is verzocht waren op 28 juni 2011 en op 7 september 2011 voor wat betreft de tandheelkundige behandeling dezelfde. Dat, zoals appellante heeft aangevoerd, de aanvragen op verschillende gronden zijn afgewezen, maakt dit, wat daar verder van zij, niet anders. Voorts zijn de omstandigheden waarin appellante ten tijde van beide aanvragen verkeerde, vergelijkbaar. Appellante had zich ook op 7 september 2011 nog niet onder behandeling gesteld van een tandarts.
4.3.
In dit geding is het toetsingskader dus beperkt tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan de herhaalde aanvraag had moeten leiden tot toekenning van de gevraagde bijzondere bijstand. Uit 4.2 volgt dat zulks niet het geval is. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting ook geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden kunnen aanduiden.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2014.
(getekend) Y.J. Klik
(getekend) I.J. Penning

HD