Appellant, woonachtig in Marokko, vroeg een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG) voor zijn gehandicapte zoon die eveneens in Marokko woont. De Sociale verzekeringsbank stelde de aanvraag buiten behandeling omdat noch appellant noch zijn kind in Nederland of de Europese Unie wonen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de nationale regelgeving en internationale regelingen zoals Verordening (EG) nr. 883/2004 en het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko geen recht op de tegemoetkoming geven. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn zoon volledig gehandicapt is en hij een Nederlands pensioen ontvangt.
De Raad oordeelt dat de TOG alleen recht geeft op tegemoetkoming indien de aanvrager en het kind in Nederland wonen. Aangezien appellant en zijn zoon niet in Nederland of de EU wonen, is er geen aanspraak. Het discriminatieverbod uit de Euro-Mediterrane Overeenkomst is niet van toepassing omdat het kind niet binnen de EU woont. Verder valt de TOG niet onder de materiële werkingssfeer van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.